kerststol

Nederlands

 
kerststol met amandelspijs en poedersuider
Uitspraak
Woordafbreking
  • kerst·stol
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kerststol kerststollen
verkleinwoord kerststolletje kerststolletjes

Zelfstandig naamwoord

kerststol m

  1. (voeding) (kerst) een speciaal brood gebakken voor de kerst gevuld met noten, vruchten en spijs
    • Op kerstavond bakken zij altijd een kerststol. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen