kapelanij

Nederlands

 
2. De voormalige kapelanij in Zutendaal.
Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·pe·la·nij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kapelanij kapelanijen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kapelanij v

  1. (religie) instelling met een eigen vermogen dat gebruikt wordt om een kapel in stand te houden en daarin missen op te dragen, ook gebruikt als aanduiding voor de betreffende kapel
    • Deze kapelanij ter ere van de H. Alexius bestond reeds vóór 1455, want ze verschijnt in dit jaar als een kapelanij, gevestigd in het hospitaal met de verplichting tot twee missen per week. [2]
  2. (religie) ambtswoning of ambtsgebied van een hulppastoor
    • In februari 1461 is Busnois gesignaleerd als kapelaan aan de kathedraal van Tours (…). Busnois werd er ongetwijfeld ingeschakeld in het koorgebed en de diverse diensten verbonden aan zijn kapelanij. [3]
Synoniemen

Gangbaarheid

12 % van de Nederlanders;
34 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen