kaderlid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·der·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kaderlid kaderleden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kaderlid o

  1. leidinggevende in een organisatie
    • De Koninklijke Marechaussee heeft een dertigjarig landelijk kaderlid van motorclub No Surrender aangehouden in een vliegtuig op Schiphol.[1] 
    • Als je vroeger 15 regionale bankkantoren had met telkens één kaderlid aan het hoofd van een kantoor, zijn er nu acht of negen kaderleden voor al die kantoren. De banken streven een organisatie na die ‘lean and mean’ is.”[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Reformatorisch Dagblad 20-06-2017 No Surrender-lid opgepakt in vliegtuig
  2. Tubantia Alex van der Hulst 02-12-17 'Geen managers meer? De beste ontwikkeling ooit'
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be