kabinetsformateur

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·bi·nets·for·ma·teur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kabinetsformateur kabinetsformateurs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kabinetsformateur m [1]

  1. iemand die een ministerraad vormt in opdracht van de Tweede Kamer, vaak is het de toekomstige minister-president
    • Of het niet wat sneller kon, werd Wim Kok in 1998 in zijn hoedanigheid als kabinetsinformateur gevraagd. Hij was naar de Tweede Kamer geroepen om tussentijds verslag uit te brengen van zijn werkzaamheden. Het eerste paarse kabinet bestaande uit PvdA, VVD en D66 had vier jaar lang goed samengewerkt. Na de verkiezingen waren de drie partijen vastbesloten hun samenwerking voort te zetten. De kiezer had dit ook mogelijk gemaakt. Waarom was Kok dan al zeven weken bezig? Kon er niet wat tempo worden gemaakt? „Zo werkt het niet in dit land”, zei Kok alsof het een natuurgegeven betrof. [2] 
Synoniemen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Mark Kranenburg 18 maart 2017