jurylid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ju·ry·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jurylid juryleden
verkleinwoord jurylidje jurylidjes

Zelfstandig naamwoord

jurylid o

  1. persoon die deel uitmaakt van een jury
    • Mevrouw Jansen werd aangeduid als jurylid. Zij was één van de twaalf juryleden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be