jacquet

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jac·quet
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘pandjas’ voor het eerst aangetroffen in 1897 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord jacquet jacquets
jacquetten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

jacquet v / m / o

  1. (kleding) kostuum voor mannen waarvan de jas weggesneden panden heeft en waarbij meestal een gestreepte broek wordt gedragen
    • in de jaren zestig van de twintigste eeuw(!) kwam het in Delft nog voor dat wanneer men niet in jacquet op het tentamen verscheen, de hoogleraar automatisch een onvoldoende gaf 
  2. (spel) soort van triktrak ofwel backgammon
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen