• in·ter·me·di·air
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bemiddeling’ voor het eerst aangetroffen in 1832 [1]
  • afgeleid van mediair met het voorvoegsel inter- [2]

intermediair

  1. o de bemiddeling
  2. m/v een bemiddelaar, tussenpersoon
  3. hetgeen dat in het midden ligt
stellend
onverbogen intermediair
verbogen intermediaire

intermediair

  1. bemiddelend.
  2. in het midden liggend
97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]