interest

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·te·rest
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Oudfrans, in de betekenis van ‘procentuele vergoeding voor lening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1530. [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord interest interesten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

interest m [3]

  1. (financieel) percentage vergoeding voor geleend geld of andere zaken
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

interest

  1. interesseren

Zelfstandig naamwoord

interest

  1. interesse
  2. belang
    «They advance corporate interests
    Zij bevorderen de belangen van het bedrijfsleven.
Hyponiemen

Oudfrans

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

interest m

  1. (juridisch) schadevergoeding, schadeloosstelling

Verwijzingen

  1.   Weblink bron intérêt in: TLFi, Le Trésor de la langue française informatisé, Dictionnaire de l’Académie française, huitième édition, 1932-1935 (1971–1994) op cnrtl.fr