innerlijk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ner·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen innerlijk innerlijker innerlijkst
verbogen innerlijke innerlijkere innerlijkste
partitief innerlijks innerlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

innerlijk

  1. wat betreft het geestesleven
    • Botsing van opvattingen tussen twee of meer personages, of die van één personage met de omstandigheden of de ‘hogere machten’ (God, noodlot, natuurwetten). De botsing van opvattingen in het personage zelf, die tot innerlijke tweestrijd leidt, noemt men het innerlijk conflict. [4]
  2. van binnen, aan de binnenkant
    • De sociaaldemocratische consensus in de kernstaten werd doorbroken door een agressief neoliberalisme, een vreemd en innerlijk tegenstrijdig amalgaam van dominantie van het economische over het politieke en sociale, dat gepaard ging met de oproep terug te keren tot de normen en waarden die door diezelfde dominantie nu juist stelselmatig ondermijnd worden. [5]
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen