ingezet

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ge·zet
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: inzetten…
verbogen vorm: ingezete

ingezet

  1. voltooid deelwoord van inzetten
stellend
onverbogen ingezet
verbogen ingezette
partitief ingezets

Bijvoeglijk naamwoord

ingezet

  1. begonnen
  2. voor een bepaald doel gebruikt, ingeschakeld, op het spel gezet
  3. (kleding) naderhand als onderdeel van textiel aan een kledingstuk toegevoegd

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be