ijssport

Nederlands

 
ijssport op de Gouwzee
Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·sport
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijssport ijssporten
verkleinwoord ijssportje ijssportjes

Zelfstandig naamwoord

ijssport v/m [1]

  1. (sport) de groep wintersporten die men uitoefent op ijs zoals schaatsen, curling en ijshockey
    • 'De partners blijven onverminderd positief over Icedôme Almere. Iedereen heeft begrip voor het feit dat voor kwaliteit en soliditeit meer tijd nodig is. De partners willen betrokken blijven om de beste ijssport- en evenementenaccommodatie op de beste locatie te realiseren', aldus het consortium op Facebook. [2] 
    • Dankzij de Olympische Spelen heeft de curlingsport een flinke boost gekregen. Een nieuwe internetrage laat zien dat de ijssport op verschillende manieren te spelen is. [3] 
    • “De Franse regering heeft beslist de wedstrijd af te gelasten. De Franse bond voor ijssporten (FFSG) en de Internationale Schaatsfederatie (ISU) zijn erg ontgoocheld over deze beslissing. Tegelijkertijd betuigen we ons medeleven aan allen die getroffen zijn door de terreuraanslagen”, zei FSG-voorzitter Didier Gailhaguet. [4] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen