ijskoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·koud
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen ijskoud
verbogen ijskoude
partitief ijskouds

Bijvoeglijk naamwoord

ijskoud

  1. bijzonder koud, zo koud als ijs
    • Hij was bang in het ijskoude water te vallen. 
     Er woei een ijskoude wind en Sint trok zijn warme rode mantel dicht om zich heen.[1]
     Het was een ijskoude nacht en ik werd meerdere malen bibberend wakker. Verbaasd zag ik de volgende ochtend dat er een dun laagje ijs op mijn tent lag.[2]
  2. (figuurlijk) onverstoorbaar, geheel rustig onder spanning, zonder enig medegevoel
    • Hij bleef er ijskoud onder. 
    • Zijn verwarde gedachteflitsen draaien voortdurend om die ijskoude blik van luitenant Pradelle. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst   “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat  , p. 12
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 21
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be