ijscoman

Nederlands

 
ijscoman op het Binnenhof
Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·co·man
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijscoman ijscomannen
verkleinwoord ijscomannetje ijscomannetjes

Zelfstandig naamwoord

ijscoman m [1]

  1. (beroep) iemand die consumptie-ijs verkoopt vanuit een ijskraam
    • De trekker met een ijscokraam erachter en aanstormende kinderen is een mooi tafereel. Als ze van koude lekkernijen zijn voorzien, springt de ijscoman weer op zijn trekker en rijdt hij een paar meter verder.[2] 
    • Toen zelfs haar liaison match made in heaven met nota bene een ijscoman mislukte, vreesde ik even dat er toch een kern van waarheid in moest zitten, maar ik houd toch liever vast aan mijn ervaringen met haar als jarenlange collega bij ‘SBS Shownieuws’.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf SANNE BODE 26 aug. 2017 Zandvoort weer of geen weer
  3. de Telegraaf 29 mrt. 2017 Column Evert Santegoeds: Strikt Privé
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be