ignorantie

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ig·no·ran·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ignorantie -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ignorantie v [1]

  1. onwetendheid
Vertalingen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen