• hos·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hosten
hostte
gehost
zwak -t volledig [A]

[A] hosten

  1. overgankelijk (informatica) via een netwerk toegankelijk maken
     Vier Nederlanders waren volgens de Duitse justitie betrokken bij het hosten van verschillende digitale marktplaatsen, waar onder meer narcotica werd aangeboden.[1]
  2. overgankelijk als gastheer mogelijk maken
     Als eigenaar van PIP verdien ik maandelijks ongeveer 1.200 euro bruto, daarnaast verdien ik nog zo’n 400 euro met de breakdancelessen die ik geef en 300 euro met het hosten en presenteren van evenementen.[2]
vervoeging van
hossen

[B] hosten

  1. meervoud verleden tijd van hossen
    • Wij hosten. 
    • Jullie hosten. 
    • Zij hosten. 
     De sport was al tot het grootste massabedrijf ter wereld geworden. Tienduizend- of meer koppige menigten raakten in ongezonde vervoering, brulden en hosten er een paar weken op los, en als het festijn was afgelopen kwamen de verantwoordelijken tot de ontdekking dat ze met een stuk of wat onbruikbare bouwwerken zaten opgescheept.[3]
73 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.[4]
  1.   Weblink bron
    Maartje Geels
    “Vier Nederlanders in Duitsland verdacht van ernstige cybercrime” (7 april 2020) op nrc.nl  
  2.   Weblink bron
    David Schoch interview door Cecile Elffers
    “Ik kan verrast zijn dat mijn geld op is” (5 juni 2013) op nrc.nl  
  3.   Weblink bron
    H.J.A. Hofland
    “De Spelen” (3 juli 2009) op nrc.nl  
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be