hoosbui

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoos·bui
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoosbui hoosbuien
verkleinwoord hoosbuitje hoosbuitjes

Zelfstandig naamwoord

hoosbui v/m

  1. een zeer heftige regenbui
    • Doordat zij door de hoosbui naar huis hadden moeten fietsen, waren zij volkomen doorweekt. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
45 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be