hoogtepunt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoog·te·punt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoogtepunt hoogtepunten
verkleinwoord hoogtepuntje hoogtepuntjes

Zelfstandig naamwoord

hoogtepunt o

  1. bijzonder belangrijk of goed ogenblik
     Toch zijn wij er bijzonder aan gehecht, omdat het hier ter plekke naar het leven is geschilderd, toen de vioolvirtuoos op het hoogtepunt van zijn roem in dit hotel verbleef op doorreis naar bijval en furore aan de grote vorstenhoven van Europa.[1]
     Ik was verheugd de CAMP Corsa Nanotech IJsbijl (205 gram) te zien, en de Kahtoola microspikes voor onder mijn schoenen in de sneeuw. Verder zaten er handschoenen, een lange wollen onderbroek, een sneeuwbril en een hele lading pillen in. Maar het hoogtepunt van de dag was mijn nieuwe paar schoenen.[2]
  2. (meetkunde) het snijpunt van de hoogtelijnen van een driehoek
  3. orgasme
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard   “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers  , ISBN 978-90-295-2622-7, p. 15
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be