haarbos

Nederlands

 
vrouw met weelderige haarbos
 
Haarbos (Ochropleura plecta)
Uitspraak
Woordafbreking
  • haar·bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord haarbos haarbossen
verkleinwoord haarbosje haarbosjes

Zelfstandig naamwoord

haarbos m [1]

  1. veelheid van alle haren op het hoofd van één persoon
    • Daar zit je dan op een klapstoeltje met pootjes. De douchekop staat zo laag mogelijk. Lager gaat niet, want dan zit ik met mijn kop tegen de wandtegels om water te kunnen vangen. Ik ben niet breed. Zou ik dat wel zijn, dan was de kans groter dat ik nat zou worden. Een hogere stand maakt dat het water niet meer te richten is vanaf de stoel. Iets lager maakt dat je het risico loopt met een natte haarbos vol resterend schuim de gang op te gaan.[2] 
    • Maak een strakke vlecht als je een fietstocht gaat maken. Hierdoor kan je haar geen kant op en blijft het in model. Je kunt er ook voor kiezen om een strakke knot te maken bovenop je hoofd zonder elastiekje. Zet hier vervolgens je helm overheen. Aangekomen op je bestemming zet je jouw helm af, schud je jouw haar flink los en viola: hallo wilde haarbos.[3] 
  2. (vlinders) Ochropleura plecta   een nachtvlinder uit de familie Noctuidae, de uilen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 25 september 2015
  3. de Telegraaf 11 november 2013
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be