groentje

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groen·tje
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord groentje groentjes

Zelfstandig naamwoord

groentje o dim. tant.

  1. iemand die uit onvervarenheid nog veel fouten maakt en daar vaak voor geplaagd wordt
    • Hij was politiek gezien nog maar een groentje. 
     Zij rijden voorop in de Volvo, drie agenten in uniform in de auto achter hen: twee groentjes die net hun opleiding hebben afgerond, kerels met spierbundels en een air dat ze alle shit die ze in de maatschappij tegenkomen wel even zullen fiksen.[1]
  2. (insecten) Callophrys rubi   een dagvlinder uit de familie Lycaenidae  , de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes
    • Het groentje komt in heel Europa algemeen voor op schrale graslanden, heiden en bosgebieden. 
  3. groente
     Tomaat, en wortel, en komkommer, en sla, en erwtjes, en broccoli ja, de groentjes van Frank Fol daarmee eten alle kindjes hun buikje vol.[2]
     Bak de kippenreepjes aan in wat olie en voeg er de groentjes aan toe.[3]
     Snijd de schoongemaakte groentjes in gelijke 'frietjes' van ongeveer 0,5 centimeter dik en 8 centimeter lang.[4]
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

groentje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord groen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Mons Kallentoft “Zomerengel” (2010), Ambo/Anthos, ISBN 9789041417299, p. 110
  2.   Weblink bron F. Fol, ‎W. Asaert “Feesten is Gezond” (2006), Lannoo Uitgeverij, ISBN 9789020965254
  3.   Weblink bron Piet Huysentruyt “SOS Piet compleet” (2012), Lannoo Meulenhoff - Belgium, ISBN 9789401402774, p. 453
  4.   Weblink bron De Culi Stars “Koken en scoren bij m'n lief” (2012), Lannoo Meulenhoff - Belgium, ISBN 9789401400794, p. 98
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be