Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • griet
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567 [1]
  • In de betekenis van ‘steltloper’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1717 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord griet grieten
verkleinwoord grietje grietjes

Zelfstandig naamwoord

griet v

  1. (pejoratief), (informeel) jonge vrouw, meisje
    • Wat een aardig grietje is ze aan het worden. 
  2. (vogels) Limosa limosa   grutto
  3. (vissen) Scophthalmus rhombus   een straalvinnige vis uit de familie van tarbotachtigen Scophthalmidae  
    • De griet is een platvis die voorkomt in gematigde wateren. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen