Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • go·jim
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

gojim

  1. verouderde spelling of vorm van gojiem van vóór 2015, mv van goj
    • Door het spel met de militairen leerde het neefje spelenderwijs de stereotypen relativeren die over gojim de ronde deden. [4]

Zelfstandig naamwoord

gojim v/m

  1. niet-jood, goj (doordat "gojim" sooms niet als meervoudsvorm werd herkend)
    • (...) had hij niet een gojim meegebracht, die hier in huis zou wonen? [5]
Synoniemen
  • [1] gojiem (Hebreeuws, sinds 2015 officiële spelling)
  • [1] gojem (Jiddisj-Hebreeuws)
  • [1] gojims (gestapeld meervoud van [2])
  • [2] goj
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

33 % van de Nederlanders;
11 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen