gietwaren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • giet·wa·ren
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

gietwaren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gietwaar
     Naar Nederland werden o.a. uitgevoerd: staafijzer, blik, gietwaren, medische instrumenten, muziekinstrumenten, kuipwerk, hout (…)[1]
Opmerkingen
  • Er is geen duidelijk verschil in betekenis tussen meervoud en enkelvoud. Een afzonderlijk gegoten voorwerp wordt "gietstuk" genoemd.

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Buitenland. (27 juli 1923) in: De Maasbode  , p. 7 (blad 2: 3) kol. 5