gesprekspartner

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·spreks·part·ner
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gesprekspartner gesprekspartners
verkleinwoord gesprekspartnertje gesprekspartnertjes

Zelfstandig naamwoord

gesprekspartner m

  1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
    • De gesprekspartner was nogal irritant aanwezig. 
     "En geloof het of niet, mijn gesprekspartner had zo'n stukje stof bij zich en heeft het meteen aan mij gegeven. Met de stof heb ik over mijn hoofd en nek gewreven. Toch is het niet een reliek dat je geneest, dat is je geloof. De behandeling is aangeslagen omdat ik en al die mensen die voor mij gebeden hebben, rotsvast geloofden dat dat kon."[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Liedeke Morssinkhof “Priester Titus Brandsma morgen heilig verklaard, genezen Amerikaan is erbij” (14 mei 2022), NOS