Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·neuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geneuk
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geneuk o

  1. het voortdurend geslachtsgemeenschap hebben
    • Veel mannen zijn volgens Liekens ook blij dat de negativiteit rond seks voor een deel verdween. ,,Het was bijna alsof je je aan seks kon branden, vanwege het risico op zwangerschap. Mensen waren compleet geïndoctrineerd met de reflex van angst, dankzij de pil is dat deels weggegaan. D'Ancona nuanceert: ,,Tuurlijk was er een heleboel angst rond het geneuk van mensen. Dat is zeker zo. Maar de seksuele revolutie wordt wel erg uitvergroot. [1] 
    • Het menselijk geneuk heb ik wel vaak gehoord. Zo woonden mijn vorige vriendin en ik onder een bekende musicus die de gewoonte had heel ritmisch te roepen: Kom maar! Kom maar! KOM MAAR! [2] 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Tubantia Marcia Nieuwenhuis 07-08-17 Pil maakte vrouwen baas in eigen buik
  2. Het Parool 11 SEPTEMBER 2010 discretie
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be