geelwit

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geel·wit
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen geelwit geelwitter geelwitst
verbogen geelwitte geelwittere geelwitste
partitief geelwits geelwitters -

Bijvoeglijk naamwoord

geelwit

  1. (kleur) een kleur die tussen wit en geel in zit
    • De geelwitte auto van de buren werd gisteren verkocht. 
Anagrammen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be