Nederlands

 
[2] geelbek / Kaapse mus
 
[3] geelbek (vis)
Uitspraak
Woordafbreking
  • geel·bek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geelbek geelbekken
verkleinwoord geelbekje geelbekjes

Zelfstandig naamwoord

geelbek m [2]

  1. jonge vogel die nog niet geslachtsrijp is
  2. Passer melanurus   Kaapse mus
  3. Atractoscion   vis uit de familie van ombervissen
Vertalingen

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen