Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gebal
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gebal o

  1. het voortdurend spelen met een bal

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
31 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be