gastenverblijf

Nederlands

 
gastenverblijf in de verbouwde schuur
Uitspraak
Woordafbreking
  • gas·ten·ver·blijf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gastenverblijf gastenverblijven
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gastenverblijf o [1]

  1. ruimte voor gasten, vaak in een apart gebouw
    • Een paar jaar geleden kwam haar “Groentebijbel” uit en mocht ik haar al aan jullie voorstellen, Mari Maris. Ooit kookte ze in het hartje van Amsterdam, waar nu de Fransman Alain Caron zijn familiecafé-restaurant heeft, Mari op haar beurt is naar Frankrijk vertrokken. En daar heeft ze een boerderij en klein gastenverblijf en een tuin. En in die tuin is de Groentebijbel ontstaan.[2] 
    • Echt leuk wordt het pas weer als zij in bed belandt met de veel jongere hunk Harry (Pico Alexander), die met twee vrienden naar Hollywood is getrokken om daar hun filmdromen waar te maken. Deze vrijage - bedoeld als one-night-stand - groeit uit tot meer als de moeder van Alice (Candice Bergen) het gastenverblijf in de tuin aanbiedt aan de jonge filmtalenten.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf FELIX WILBRINK 08 nov. 2017
  3. de Telegraaf 18 okt. 2017