fruitig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • frui·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van fruit met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fruitig fruitiger fruitigst
verbogen fruitige fruitigere fruitigste
partitief fruitigs fruitigers -

Bijvoeglijk naamwoord

fruitig

  1. met de smaak van vruchten
    • Wij dronken een fris en fruitig wijntje. 
  2. van een meisje dat ze heel leuk en vrolijk is
    • Het frisse en fruitige meisje moest veel lachen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be