• fi·nan·ci·en
enkelvoud meervoud
naamwoord - financiën
financies
verkleinwoord - -

de financiënmv

  1. geldmiddelen van een persoon of instelling
    • Ik wil een nieuwe computer maar mijn financiën staan me dat niet toe. 
97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]