erfstuk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • erf·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord erfstuk erfstukken
verkleinwoord erfstukje erfstukjes

Zelfstandig naamwoord

erfstuk o

  1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
    • Dat is nog een erfstuk van mijn overgrootvader. 
     Bij een goede opvoeding hoorde dat je anderen niet tot last was, geen geld leende, geen erfstukken zoals schilderijen of iets anders verkocht, niet naar familieleden rende om je te beklagen. Dat soort dingen deed je gewoon niet.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Echte Amerikaanse jeans” (2017), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044632767
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord erfstuk erfstukke

Zelfstandig naamwoord

erfstuk

  1. erfstuk