eerste naamvallen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eer·ste naam·val·len
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

eerste naamvallen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord eerste naamval
      Behalve deze hebben nog eenige andere werkwoorden twee eerste naamvallen bij zich.[1]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron P. Weiland “Nederduitsche spraakkunst” (1805), Johannes Allart, Amsterdam, p. 268