doorwrocht

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·wrocht
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘grondig’ voor het eerst aangetroffen in 1653 [1]
  • Een oud voltooid deelwoord van doorwérken.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen doorwrocht doorwrochter doorwrochtst
verbogen doorwrochte doorwrochtere doorwrochtste
partitief doorwrochts doorwrochters -

Bijvoeglijk naamwoord

doorwrocht

  1. degelijk, bijna tot volmaaktheid bewerkt
    • Zijn boek is een doorwrochte beschrijving van dat onderwerp. 

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen