donorcodicil

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·nor·co·di·cil
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord donorcodicil donorcodicillen
donorcodicils
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

donorcodicil o

  1. kaartje of pasje waarop een donor heeft aangegeven al dan niet bereid te zijn na overlijden organen en weefsels af te staan voor transplantatie
    • Het voorkomt veel vragen als iemand altijd een donorcodicil bij zich draagt. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen