Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • don·der
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘geluid bij bliksemslag’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord donder donders
verkleinwoord dondertje dondertjes

Zelfstandig naamwoord

donder m

  1. (meteorologie) een zeer luid geluid bij onweer
    • Hij is bang voor donder. 
     Waarom had ik geen donder gehoord of bliksem gezien tijdens mijn tocht omhoog?[3]
     De bliksemschicht bevat een enorme hoeveelheid energie waarbij heel veel warmte vrijkomt. De binnenkant van de bliksemstraal kan volgens Weerplaza wel 33.000 graden zijn. Ter vergelijking: de oppervlakte van de zon is ongeveer 5.500 graden. De hitte zorgt ervoor dat de lucht rondom de bliksemschicht uitzet waardoor een schokgolf ontstaat in de lucht. En dat horen wij als de donder.[4]
  2. (informeel) het lichaam
    • Hij kreeg op z'n donder (hij kreeg straf maar dat hoeft lang niet altijd een lijfstraf te zijn). 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
donderen

donder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donderen
    • Ik donder. 
  2. gebiedende wijs van donderen
    • Donder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donderen
    • Donder je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie


Verwijzingen

  1. "donder" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. donder op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Weblink bron “Dit is waarom het vaker onweert als het warmer wordt” (Vrijdag 24 juni 2022), NU.nl
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be