dividend

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·vi·dend
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘periodieke winstuitkering’ voor het eerst aangetroffen in 1745 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord dividend dividenden
verkleinwoord dividendje dividendjes

Zelfstandig naamwoord

dividend o [3]

  1. (financieel) uitkering van (een deel van de) winst aan de aandeelhouders van een onderneming
    • Over het dividend hoef je geen belasting te betalen, maar over de waarde van de aandelen wel. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen