dieplood

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • diep·lood
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dieplood dieploden
verkleinwoord dieploodje dieploodjes

Zelfstandig naamwoord

dieplood o

  1. (scheepvaart), (verouderd) staafvormig gewicht aan een touw (loodlijn) om de waterdiepte te peilen, en tevens kan in de vetgemaakte holle onderkant een monster van de bodem worden genomen
    • Bij het opvaren van de rivier werd met het dieplood regelmatig gecontroleerd of er nog voldoende water onder de kiel stond. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be