dekenij


Nederlands

 
[2] dekenij woning van de deken
Uitspraak
Woordafbreking
  • de·ke·nij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dekenij dekenijen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dekenij v [1]

  1. (religie) deel van een bisdom dat meerdere parochies omvat
    • Maar na negen jaar sluit Table d’Amis de deuren, net zoals Gastrobar Gust, de eetbar die Beudaert en Delbeke in 2015 openden op de eerste verdieping van de Oude Dekenij, toen ze hun sterrenrestaurant verhuisden naar een groter pand. In augustus worden de laatste tafels gedekt, in september openen ze op dezelfde plek een nieuw restaurant: beudaert. Een wit blad. [2] 
  2. woning van de deken
  3. buurtcomité te Gent (stad in België)
    • Bij het horen van het woord “dekenij” denkt men al te vaak aan een kerkelijk fenomeen. Anderen leven dan weer in de overtuiging dat de dekenijen in het begin van de 20ste eeuw kunstmatig uit de grond werden gestampt met louter folkloristische doeleinden. Niets is minder waar. Het geldt hier integendeel één der oudste instellingen van de West-Europese beschaving dat zich te Gent, en te Gent alleen, volledig wist te ontwikkelen en stand te houden. Alles wijst erop dat er “gebuurten” zijn geweest vóór het ontstaan van het politieke schependom in de vroege Middeleeuwen. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

12 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen