crewlid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • crew·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord crewlid crewleden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

crewlid o

  1. iemand die ergens aanwezig is als deel van de bemanning of als personeelslid
    • Maar vorige week dook het instrument ineens op. "De afgelopen dagen zijn wij er bij toeval achter gekomen dat iemand - volkomen te goeder trouw - het drumstel deze week gekocht heeft van een ex-crewlid van Normaal." [1] 
    • Dus stond iedereen er weer, afgelopen weekend, nadat de angst om banen en vrijwilligerswerk te verliezen was bezworen. Een crewlid van Atak dat ook bij Metropool werkt, noemt de huidige situatie stellig een doorstart. "Alleen wordt 'Enschede' vanaf januari vanuit Metropool in Hengelo gedraaid." [2] 
    • Ze trok ook aan de haren van een vrouwelijk crewlid en probeerde haar in het gezicht te schoppen. Het overige cabinepersoneel verloste het ontdane crewlid uiteindelijk uit de klauwen van de woeste passagier. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen