contrapunt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·tra·punt
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘verbinding van aantal stemmen op bepaald motief’ voor het eerst aangetroffen in 1795 [1]
  • samenstelling van  contra  en  punt  [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord contrapunt contrapunten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

contrapunt o [3]

  1. (muziek) hiermee wordt in de muziektheorie de leer der meerstemmigheid verstaan
  2. afwijking t.o.v. de omgeving
     De buitenproportioneel grote klokkentoren van rode baksteen met een witte marmeren omgang en een groen puntdak bracht met zijn asymmetrische plaatsing een belachelijk contrapunt aan in de rationele, paradeerbare ruimte, dat juist vanwege het feit dat het concessieloos gewaagd en overdreven was effectief en elegant uitpakte.[4]
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen