compote

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·po·te
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vruchtenmoes’ voor het eerst aangetroffen in 1786 [1]
  • afgeleid van het Oudfrans compost en het nieuw-Franse 'compôte' met het voorvoegsel com- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord compote compotes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

compote v / m [3]

  1. (voeding) (fruit) vruchtenmoes, zoete moes van gekookt fruit en suiker minder stevig dan jam
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen