clublid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • club·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord clublid clubleden
verkleinwoord clublidje clublidjes

Zelfstandig naamwoord

clublid o

  1. persoon die na ballotage is toegelaten tot een club.

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be