buitenijs

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·ijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buitenijs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

buitenijs o

  1. in de buitenlucht gelegen ijsbaan
     De Jong wordt blij van allrounden en ook van Collalbo. De kopjes koffie in de zon, de omgeving die ze al kent van kleins af aan. Al rijdend voor het gewest Friesland waren er trainingskampen in het dorpje in de Dolomieten met ontelbare rondjes op de onoverdekte ijsbaan. Toch zegt De Jong: ,,Ik ben niet echt een buitenijs-rijder.”[1]
     ,,Vanmiddag nog even fietsen en dan vanavond rijden op buitenijs. Als je zo’n wedstrijd mee kan pakken, moet je dat doen. Als hier natuurijs ligt, moet je niet naar Oostenrijk gaan. Dat is een alternatief.’’[2]
Verwante begrippen
Antoniemen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
39 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Pim Bijl “Wüst, De Jong, Achtereekte: een wereld van verschil” (10-01-2019), Tubantia
  2.   Weblink bron Daan Hakkenberg en Ralph Blijlevens “Veel toppers al in Oostenrijk en missen eerste marathon op natuurijs” (21-01-2019), Tubantia
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be