bovenraam

Nederlands

 
deur met bovenraam
Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ven·raam
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bovenraam bovenramen
verkleinwoord bovenraampje bovenraampjes

Zelfstandig naamwoord

bovenraam o [1]

  1. een raam op een bovenverdieping; een raam dat boven een ander raam, of deur zit
    • Bewoners van de Rembrandtstraat waren even daarvoor wakker geworden, omdat een inbreker via een bovenraampje probeerde hun huis binnen te dringen.[2] 
    • Wood woonde sinds haar geboorte in het pand en leidde volgens de buren een zeer teruggetrokken leven. Het huis was jaren niet onderhouden. Overal zaten spinnenwebben en uit een van de bovenramen groeide een boom.[3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 24 apr. 2014
  3. de Telegraaf 06 feb. 2014
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be