boeketje

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·ket·je

Zelfstandig naamwoord

boeketje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord boeket
     Geen boeketje op de begrafenis namens GoSunny of een telefoontje van iemand van toi die zijn deelneming betuigde.[1]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2