bijkomt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·komt

Werkwoord

vervoeging van
bijkomen

bijkomt

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijkomen
    • ... dat jij bijkomt. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijkomen
    • ... dat hij bijkomt.