betuigde

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·tuig·de

Werkwoord

vervoeging van
betuigen

betuigde

  1. enkelvoud verleden tijd van betuigen
    • Ik betuigde. 
    • Jij betuigde. 
    • Hij, zij, het betuigde. 
     Geen boeketje op de begrafenis namens GoSunny of een telefoontje van iemand van toi die zijn deelneming betuigde.[1]
  2. verbogen vorm van betuigd, voltooid deelwoord van betuigen

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2