• be·red·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beredderen
beredderde
beredderd
zwak -d volledig

beredderen

  1. wederkerend in staat zijn zelfstandig dagelijkse dingen te doen
    • De oma vindt dat ze zich zelf kan beredderen, maar haar verzorgers vinden van niet. 
64 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[2]