bepalend

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·pa·lend
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bepalend bepalender bepalendst
verbogen bepalende bepalendere bepalendste
partitief bepalends bepalenders -

Bijvoeglijk naamwoord

bepalend

  1. beslissend
     Dorien verwachtte een antwoord van haar. Logica, ratio, denk aan de gesprekken met Denise, ging het door haar heen. Wat je nu gaat zeggen is bepalend.[1]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van: bepalen
verbogen vorm: bepalende

bepalend

  1. onvoltooid deelwoord van bepalen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be