(klemtoonhomogram)

  • be·ke·ren
  • In de betekenis van ‘tot inkeer brengen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • afgeleid van keren met het voorvoegsel be- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bekeren
bekeerde
bekeerd
zwak -d volledig

bekéren

  1. overgankelijk iemand ~: iemand tot een bepaald geloof overhalen.
    • De joden hebben niet veel mensen bekeerd. 
  • afgeleid van beker met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bekeren
bekerde
gebekerd
zwak -d volledig

békeren

  1. inergatief aan bekerwedstrijden deelnemen.
    • Ajax heeft weer goed gebekerd dit jaar. 
98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]